Onderwerpen

Verkiezingsprogramma's

Aanmelden

Programma 19 februari 2011

Historie van het PPG
 - Verslag tweede PPG (2009)
 - Verslag eerste PPG (2006)

Over het PlattelandsParlement

Contact

Veelgestelde vragen

Partners en links

Home

 

PlattelandsParlement zet politici en bewoners aan tot dialoog

Verslag van het tweede PlattelandsParlement Gelderland

fotofoto
bekijk meer foto's

VALBURG - ‘Een mooie dialoog’. Zo kenschetsten enkele deelnemers zaterdag 7 februari 2009 het tweede PlattelandsParlement Gelderland (PPG). En dat was maar goed ook, want het woord communicatie kwam nogal regelmatig voorbij tijdens het debat tussen het panel en de zaal in het Wapen van Valburg. Zoals zo vaak bleek ook hier dat het maken en uitvoeren van plannen valt en staat met een goede communicatie tussen de betrokken partijen. Zaterdag kwam de dialoog tussen Gelderse politici en plattelandsbewoners uit de hele provincie alvast goed op gang.

De opzet van het tweede PPG was iets anders dan de eerste keer. Zaten in 2006 de statenleden nog tegenover de plattelanders, deze keer gingen ze samen aan de slag. Eerst ’s morgens in voorbereidende themagroepen, later ’s middags in discussie met een panel van deskundigen onder aanvoering van Gelders gedeputeerde Harry Keereweer. Dit resulteerde in vier kleine werkgroepen – met in elke groep in ieder geval één statenlid - die zo snel mogelijk de koppen bij elkaar zullen steken om met de opdracht, die zij naar aanleiding van de dialoog meekregen, aan de slag te gaan en te zorgen dat wat zaterdag werd besproken en geopperd ook daadwerkelijk tot uitvoering komt.

Ga direct naar  Jongeren  |  Gemeenschapsvoorzieningen  |  Buitengebied  |  Dorpsplan

Nieuwe opzet

Een klein rondje na het debat langs enkele deelnemers, leerde dat de nieuwe opzet van het PlattelandsParlement goed is bevallen. De voorbereidingstijd in de themagroepen, ’s morgens en nog een uur na de lunch, werd als voldoende beschouwd, te meer daar veel deelnemers ook al van te voren via internet over onderwerpen hadden meegepraat.

Hier en daar verliep het wat chaotisch, zo werd gemeld, maar over het algemeen kon iedereen goed zijn of haar zegje doen. Complimenten waren er hierbij voor de begeleiders, die goed oppakten wat er werd gezegd en zorgden voor goede discussies. Waarbij overigens in sommige groepen de emoties af en toe hoog opliepen.

De ene themagroep was groter dan de ander. De ervaring leerde, dat de groep zeker niet veel groter moet worden dan zo’n 20 personen. Anders duurt de voorstelronde veel te lang en dat is jammer van de tijd. Voor de meeste deelnemers was het fijn om ervaringen van anderen te horen en werd het als waardevol beschouwd dat er ook een statenlid tijdens de voorbereiding meedeed aan de discussie.

Negatieve geluiden waren er ook. Een van de deelnemers vond het resultaat van het plenaire debat minder dan verwacht. ‘Het onderwerp wat wij zo mooi getrechterd hadden, werd in de plenaire zitting weer verbreed.’

Een ander zag niet zo goed de meerwaarde van de voorzitter. Liever zag hij dat er vanuit de zaal rechtstreeks gepraat zou worden met een panellid en dat niet bij ieder onderwerp ook ieder panellid er iets van moest vinden. ‘Dat zorgt voor te veel afleidende manoeuvres.’

Jongeren

Een van de thema’s die werden besproken ging over jongeren en hoe deze betrokken te houden bij het dorp. Sleutelwoord hierbij was verantwoordelijkheid. ‘Betrek ze bij de uitvoering van het dorpsplan, want het maken is vaak te abstract. Laat ze weten waarom ze hard nodig zijn en benader ze rechtstreeks. Haal hun positieve kwaliteiten naar boven en geef ze verantwoordelijkheid. Laat ze dingen doen die op korte termijn resultaat hebben. Grote klap, veel vuurwerk’ aldus vatte statenlid Anja Derksen het gesprek van de themagroep jongeren samen.

Voldoening is ook een factor van belang. Voor de motivatie van jongeren is het boeken van resultaat stimulerend. Bovendien wíllen ze vaak ook verantwoordelijkheid dragen en dat maakt ze tegelijkertijd ook meer betrokken, aldus de werkgroep.

Concreet kwam uit de discussie naar voren, dat voor jongeren vooral een goede ontmoetingsplek en de juiste woningen belangrijk zijn. Dit speelt een grote rol in de betrokkenheid. Het zou daarbij mooi zijn als gemeente en provincie ondersteunen met faciliteiten en geld.

Een kleine werkgroep, waarin ook statenlid Anja Derksen zit, gaat hier nu mee aan de slag.

terug naar boven

Gemeenschapsvoorzieningen

Ook bij het op peil houden van de noodzakelijke gemeenschapsvoorzieningen in de dorpen speelt betrokkenheid een grote rol. Bovendien is regelgeving rondom subsidies en vergunningen vaak een probleem. Maar het grootste struikelblok bleek hier de communicatie. Met de overheden en andere betrokken instanties. Hoe daar beter mee om te gaan, was de vraag die uit de themagroep naar voren kwam. Met name het grote aantal partijen waarmee overlegd moet worden zorgt soms voor problemen. De themagroep zag hier een duidelijke rol voor de provincie in. ‘De provincie zou de belangenbehartigers moeten ondersteunen, zodat zij hun professionaliteit kunnen verbeteren en behouden,’ was de mening van de themagroep. Gedeputeerde Harry Keereweer merkte op dat de provincie geen structurele ondersteuning verleent aan belangenbehartiging. ‘Maar dat wil niet zeggen dat dat ook zo blijft,’ merkte hij op.

Volgens Tinie Voortman van de Vereniging Kleine Kernen (VKK) Gelderland doet de VKK veel aan ondersteuning van belangenbehartigers, maar hierdoor blijft er weinig tijd over voor andere dingen, ‘dus het zou mooi zijn als de provincie een deel van deze taak zou ondersteunen,’ aldus Voortman.

‘Hoe krijg je alle betrokkenen op één lijn, daar zou een soort handleiding moeten komen, om een en ander goed vorm te geven,’ opperde dagvoorzitter en plaatsvervangend Commissaris der Koningin Ria Aartsen. Ze gaf de vervolgwerkgroep, waaraan statenlid Conny Bieze deel zal nemen, bovendien de opdracht mee voorbeelden te verzamelen van projecten die niet konden worden uitgevoerd vanwege de ingewikkelde regelgeving. Keereweer merkte op dat vereenvoudiging van de regels bespreekbaar is, maar dat dit niet alleen een zaak van de provincie zou moeten zijn. ‘We zijn bezig met belastinggeld, dus het zou goed zijn als er van onderop ook initiatieven komen om hierover mee te denken.’

terug naar boven

Buitengebied

Een goede communicatie bleek ook een belangrijke rol te spelen bij het derde thema: de inrichting van het buitengebied. Vraag was daarbij: wie gaan daar over en wie moeten erbij betrokken worden? Hierbij kwam vooral naar voren dat de subsidiewetgeving makkelijker en eenvoudiger zou moeten en dat er gezocht moet worden naar nieuwe vormen van financiering. De verantwoordelijkheid ligt bij de overheden, maar die zouden volgens statenlid Fahri Kaplan de betrokken organisaties ‘een beetje moeten kietelen’. En de organisaties zouden zich op hun beurt ‘ook een beetje moet láten kietelen’. De kwaliteit van de communicatie zou verbeterd moeten worden, zodat met name burgers beter bij het onderwerp betrokken zouden kunnen geraken. Betrokkenheid die overigens sterk afhankelijk is van het onderwerp en die groter wordt naarmate het onderwerp dichter bij de burgers komt.

Paul Peters, die namens de provinciale commissie voor de fysieke leefomgeving in het panel zat, zei enigszins teleurgesteld te zijn in de uitkomsten van de themagroep. ‘Ik hoor niet dat het buitengebied het hart is van onze samenleving. Dat de kwaliteit van het buitengebied minimaal behouden moet blijven en uitgangspunt moet zijn bij alle vorming van het beleid. Prioriteit daarbij is ordening van de ruimte in het buitengebied.’ Hij vond bovendien dat bij het maken van plannen, gebruik moet worden gemaakt van de infrastructuur die er al is. ‘Het buitengebied behouden en niet de natuur opofferen,’ aldus Peters.

Kaplan pareerde daarop dat dit niet de vraag was die aan de themagroep was gesteld, maar dat het punt wel in de groep aan de orde was geweest. ‘Natuurlijk moet de aantasting van het landelijk gebied ophouden, maar er is ook behoefte aan werk. Daarom is het zo belangrijk om met elkaar in gesprek te blijven,’ aldus Kaplan.

Op de vraag van gedeputeerde Keereweer hoe de betrokkenheid van de provincie naar de organisaties verbeterd zou kunnen worden, merkte Tinie Voortman op dat het belangrijk is dat de provincie weet wat er leeft in een gebied. ‘Er zijn veel verschillende activiteiten, het is een kweekvijver voor kleine bedrijvigheid, er zijn windmolens en megastallen. Het gaat erom wat de bewoners van belang vinden. Zij hebben het gebied onderhouden.’

Om goed contact met de burgers te krijgen, speelt het niveau waarop gecommuniceerd wordt een grote rol. ‘De interesse ontstaat pas als het dichtbij komt. Wel of niet betrokken zijn, heeft alles te maken met het onderwerp. De provincie moet naar de bewoners toe en kan niet verwachten dat de bewoners naar de staten komen,’ aldus Driek van der Vondervoort van de Landelijke Vereniging Kleine Kernen. De themagroep had nog een advies aan de provinciale ambtenaren: ‘Ontwikkel een plan tot tachtig procent van de uitvoer en laat die overige twintig procent over aan de bewoners. Timmer niet alles dicht tot drie cijfers achter de komma.’

Als opdracht kreeg de kleine werkgroep met statenlid Fahri Kaplan mee te zorgen voor een goede communicatie op het juiste niveau op het juiste moment en met de juiste doelgroep.

terug naar boven

Dorpsplan

Het werd een beetje een herhaling van zetten, want ook bij het trekken van de conclusie van de vierde themagroep ‘Een dorpsplan en dan?’ kwam het woord communicatie sterk naar voren. Maar naar aanleiding van hetgeen statenlid Renske Waardenburg verwoordde, greep voorzitter Aartsen in. ‘Ik hoor ook het belang van effect. Het meten van het effect dat een dorpsplan heeft.’ Daarmee formuleerde ze tegelijk een deel van de opdracht van de kleine werkgroep die met hulp van Waardenburg, hiermee aan de slag moet. Hoewel de communicatie op alle niveaus vaak onduidelijk is, is het ook heel belangrijk om te zorgen dat er bij de uitvoering vaart wordt gehouden in het traject, dat er gezocht wordt naar dwarsverbanden en dat de behaalde successen worden benoemd, waardoor mogelijk meer draagvlak ontstaat, zo luidde de conclusie.

Op de vraag van Aartsen of het überhaupt tot uitvoering komt, antwoordde VKK-panellid Voortman dat haar organisatie altijd bij alle dorpsplannen waarbij ze betrokken is, in de gaten houdt wat ervan terecht komt. Volgens haar is de wil er wel, maar is er ook ‘het eeuwige gezeur om middelen en vergunningen. We moeten de gang erin houden en zorgen dat de motivatie op peil blijft,’ vond Voortman.

Leidy van der Aalst, panellid namens de Federatie Dorpshuizen in Gelderland, tipte de dorpen nog om aansluiting te zoeken bij andere plannen ten aanzien van infrastructuur en sociale structuur. Van der Vondervoort gaf subtiel aan, dat de provincie Gelderland wel eens iets meer geld zou mogen uittrekken voor de kleine kernen, daarmee doelend op andere provincies, zoals Overijssel, waar het budget voor de dorpen veel groter is dan in Gelderland. ‘Bij het maken van het dorpsontwikkelingsplan moet ook een ambtenaar van de gemeente zitten en een ambtenaar van de provincie. Die mogen alleen maar positief meedenken. Als het plan dan klaar is, is het in ieder geval qua regelgeving afgedekt en zijn provincie en gemeente bovendien al goed op de hoogte,’ aldus de landelijke kleine-kernen-man.

Een van de procesbegeleiders van de VKK merkte op, dat dorpen zich ook niet altijd al te veel moeten aantrekken van de regels., maar dat ze ook moeten durven dromen. ‘Om de vier jaar verandert er van alles, dus geef je eigen visie op het dorp, droom zonder regelgeving en beperking.’

Tot slot van het debat in Valburg pleitte Aartsen ervoor dat de bewoners de politiek bij hun plannen moeten betrekken, zoals tijdens het PPG en de vervolgwerkgroepen. Zij brak een lans voor de aanwezige statenleden: ‘Koester ze, commiteer ze niet te veel. Maak gebruik van hun kennis, maar laat ze ook hun taak in de statenvergadering doen. Het is goed dat ze hun ervaringen op deze manier in de staten brengen,’aldus Aartsen.

terug naar boven

 


Colofon / Disclaimer / Copyright